1
Toen ik de zware glazen deur van Richards, Dunne & Krantz opentrok en door de lange gang naar de kantoren van de executives liep, zag ik verderop een lamp branden.
Zo vroeg was er nooit licht aan. Ik versnelde mijn pas.
Het was de lamp van míjn kantoor, besefte ik toen ik dichterbij kwam. Ik was rond vier uur ’s morgens naar huis gegaan om een dutje te doen en te douchen, maar ik had de deur van mijn kantoor op slot gedaan. Dat had ik twee keer gecheckt. En nu was er iemand binnen.
Ik zette het op een rennen terwijl er in paniek allerlei gedachten door mijn hoofd schoten: Had ik mijn storyboard in het zicht laten staan? Wilde iemand de reclamecampagne saboteren waar ik me wekenlang voor uit de naad had gewerkt, de campagne waar mijn hele toekomst van afhing?
Ik stormde mijn kantoor in op het moment dat de indringer iets van mijn bureau pakte.
‘Lindsey! Ik schrik me kapot!’ blafte Donna, mijn assistente, met de dampende beker koffie die ze op mijn bureau had willen zetten nog in de lucht.
‘O, sorry,’ zei ik. Ik sloeg mezelf in gedachten voor mijn kop. Als ik ooit aan het internetdaten zou slaan – waar het, om eerlijk te zijn, één dezer dagen wel naar uitzag – zou ik bij de karaktereigenschappen het altijd populaire vakje bij ‘paranoïde muts’ moeten aankruisen. Ik zou meteen dranghekken aanschaffen om de vrijgezellen van New York op afstand te houden.
‘Ik had zo vroeg nog niemand verwacht,’ legde ik Donna uit terwijl mijn ademhaling weer normaal werd. Niet vergeten: lid van een sportschool worden, als ik na een sprintje van twintig meter al buiten adem raak. Ik kon er maar beter niet over nadenken hoe vaak ik daadwerkelijk naar die sportschool toe zou gaan waarvan ik al twee jaar van plan was lid te worden.
‘Het is een belangrijke dag,’ zei Donna en ze gaf me de koffie.
‘Je bent geweldig.’ Ik sloot mijn nog slaperige ogen toen ik een slok nam en het vloeibare wonder door mijn aderen voelde stromen. ‘Dit had ik echt nodig. Ik heb niet zoveel geslapen.’
‘En je hebt ook niet ontbeten, zeker?’ vroeg Donna met haar handen in haar zij. Zo stond ze daar, amper één meter vijftig lang, met het uiterlijk van een onderleggertjes breiende oma met appelwangetjes. Eentje die niet zou aarzelen uit haar schommelstoel op te staan om haar geweer met afgezaagde loop te pakken als iemand haar belazerde.
‘Ik zal uitgebreid lunchen,’ was de smoes die ik gauw verzon, en ik ontweek haar blik.
Na vijf jaar was ik er nog steeds niet aan gewend een assistent te hebben, zeker niet een die dertig jaar ouder was dan ik en maar een derde van mijn salaris verdiende. Donna en ik wisten allebei dat zij de broek aanhad in onze relatie, maar het geheim van ons geluk was dat we deden alsof het andersom was. Een beetje net zoals bij mijn ouders; mam gaf pap altijd gelijk, nadat ze hem zo genadeloos geïntimideerd had dat hij haar standpunt had overgenomen.
‘Ik bel de cateraars even,’ zei Donna. ‘Moet ik je telefoontjes tegenhouden?’
‘Graag,’ antwoordde ik. ‘Tenzij het een noodgeval is. Of Walt van Creative… die maakt zich nogal druk over de lettergrootte van de voorbeeldadvertentie en ik moet hem zien te kalmeren. Of Matt. Ik wil het nog een keer met hem doorspreken vanmorgen. En even denken wie nog meer, wie nog meer… O, iedereen van Gloss Cosmetics natuurlijk. O God, ze zijn er al over’ – ik keek op mijn horloge en de adem stokte in mijn keel – ‘twee uur.’
‘Wacht even, jongedame,’ beval Donna op een toon die je alleen maar als broekdragend kon omschrijven. Ze haastte zich naar haar bureau en kwam terug met een bosbessenmuffin in een klein papieren zakje, en twee Advils.
‘Ik wist dat je niet gegeten zou hebben, dus heb ik er een extra gehaald. En je hoofdpijn komt weer opzetten, hè?’ vroeg ze.
‘Het gaat wel,’ loog ik. Ik hield mijn hand op voor de Advils en hoopte dat Donna niet zag dat ik al mijn nagels had afgekloven. Alweer.
Toen Donna eindelijk mijn deur achter zich dichttrok, liet ik me in mijn grote leren stoel zakken en nam uiterst dankbaar nog een grote slok koffie. De vroege ochtendzon scheen naar binnen door het raam achter me en reflecteerde op de gouden CLIO Award op mijn bureau. Ik streek er met een vinger over voor geluk, zoals ik elke presentatiedag deed.
Daarna nog een keer, omdat dit niet zomaar een presentatiedag was. Er hing zoveel meer van vandaag af dan gewoon weer een miljoenenaccount binnenslepen. Als mijn pitch goed uitpakte en het me lukte Gloss Cosmetics aan ons klantenbestand toe te voegen… Ik kneep mijn ogen dicht. Ik kon die gedachtegang niet afmaken, dat zou misschien averechts werken.
Ik sprong op en doorkruiste mijn kantoor om naar de foto’s van mijn kindjes te kijken. Nog zo’n bijgelovig ritueel op belangrijke dagen. Een van mijn muren hing vol met eenvoudige maar dure zwarte lijsten, met in elk daarvan een andere tijdschriftadvertentie: een vader in een rood schort achter een barbecue vol hotdogs; een bekakt paar dat hun blote tenen in hun nieuwe tapijt laat wegzinken; een jonge vrouwelijke executive die achteroverleunt in de eerste klas van een vliegtuig. Hemels achteroverleunt.
Ik glimlachte toen ik aan die campagne dacht. Ik had er twee weken en drie focusgroepen voor nodig gehad om voor het woord hemels in plaats van heerlijk te gaan. Toch was mijn complete campagne op het laatste moment nog bijna in de soep gelopen omdat het model dat ik had gekozen precies hetzelfde kapsel had als de ex-vrouw van de eigenaar van de luchtvaartmaatschappij. Door wie hij zich had laten overtuigen dat je bij ware liefde geen huwelijkse voorwaarden nodig had. Als ik niet in het koffertje van de grimeuse die pot haargel van vijf dollar had ontdekt en de klant om dertig seconden extra tijd had gesmeekt, zou ons reclamebureau door een bobkapsel een klant van twee miljoen dollar zijn misgelopen. Klanten stonden erom bekend wispelturig te zijn en je kon ervan uitgaan: hoe rijker de klant, hoe gekker.
De klant met wie ik vandaag een afspraak had, had half Manhattan in zijn bezit.
Ik pakte de proef van de tijdschriftadvertentie die mijn creatieve team in elkaar had gezet en controleerde hem voor de duizendste keer, op zoek naar niet-bestaande foutjes. Ik had me drie weken lang met bloed, zweet en tranen gestort op elk detail van deze campagne, die ik in hooguit tien minuten zou mogen presenteren in onze vergaderruimte over… Ik keek op mijn horloge en mijn hart sloeg een slag over.
Anders dan bij andere advertentiemakers was het bij ons bedrijf zo dat de scheidslijn tussen het creatieve werk en de zakelijke kant van onze opdrachten was vertroebeld. Als je succes wilde hebben bij Richards, Dunne & Krantz, moest je beide kunnen. Dat betekende natuurlijk ook dat alle verantwoordelijkheid voor deze presentatie op mijn schouders rustte.
Het ergste, wat aan mijn maag vrat en me om drie uur ’s nachts wakker deed schrikken in de nachten dat het me daadwerkelijk was gelukt om in slaap te vallen, was dat al mijn werk, al die marathonweekendsessies met oud geworden pizza en middernachtelijke conference calls, voor niets kon zijn. Als de eigenaar van Gloss mijn advertenties afkeurde – als zoiets simpels als de parfum die ik op had of een uit de toon vallend bijvoeglijk naamwoord in mijn tekst hem niet beviel – zouden honderdduizenden dollars commissie voor ons bureau als rook door mijn vingers glippen. Een Japanse magnaat, eigenaar van een keten luxehotels, zat eens een briljante campagne-pitch uit waaraan twee maanden gewerkt was en waar de president-directeur van ons bedrijf zelf op had toegezien. Ik heb het over het soort creatieve inzicht waarmee prijzen te winnen waren, de reclamespots waar iedereen het over gehad zou hebben. Hij keurde hem af met een grom, die zijn assistent opgewekt vertaalde als: ‘Hij houdt niet van blauw’. Dat was het dan. De kleur van de advertentie veranderen was er niet bij. Wat overbleef was een groep verdwaasde reclame-executives die nu voor niets ‘Konnichi-wa!’ hadden leren zeggen en als schapen naar buiten werden gedreven.
Ik pakte nog een Advil uit de geheime voorraad in mijn bureaula, waar Donna niets van wist, mikte hem naar binnen en masseerde met één hand de knoop in mijn nek terwijl ik naar de voorbeeldadvertentie bleef turen die mijn team voor Gloss had gecreëerd.
Toen Gloss Cosmetics ons bedrijf vorige maand benaderde en liet doorschemeren dat ze misschien van reclamebureau wilden veranderen, had de president-directeur – een tweeënveertigjarig marketinggenie genaamd Mason die altijd op rode Converse-gympen liep, zelfs onder een smoking – onze vijf beste creatieve teams bij zich in zijn kamer geroepen.
‘Gloss wil korte metten maken met CoverGirl,’ zei Mason terwijl hij een slok nam van een flesje Lipton Ice Tea (een klant van ons) en op het blad van zijn eiken vergadertafel tikte met zijn bicpen (idem). Mason was zo trouw aan onze klanten dat hij ooit een viersterrenrestaurant uit was gelopen omdat de chef-kok geen Kraft-dressing wilde gebruiken in plaats van champagnetruffeldressing.
‘Als insteek wil Gloss toegankelijke glamour,’ ging hij verder. ‘Vergeet de prinsessen van Park Avenue, we richten ons op schooljuffen, fabrieksmedewerksters en receptionistes.’ Hij liet zijn blik rond de tafel gaan zodat hij ieder van ons ermee kon doorboren en ik zweer dat hij in twee minuten niet één keer knipperde. Mason deed me aan een buitenaards wezen denken met zijn kale, peervormige hoofd en half dichte ogen. Als hij in zo’n knipperloze trance was, was ik ervan overtuigd dat hij data van zijn moederschip downloadde. Volgens mijn assistente Donna had hij gewoon een vitamine C-tekort. Ze bleef hem maar achter zijn broek zitten om achter het Minute Maid-account aan te gaan.
‘Wat was de recall score van de vorige commercial van Gloss?’ vroeg iemand vanaf de andere kant van de tafel. Het was Sletterige Cheryl, wier tieten uit haar strakke witte blouse puilden terwijl ze over tafel reikte om een flesje Lipton van de stapel midden op de vergadertafel te pakken.
‘Zal ik hem even aangeven?’ bood Matt, onze adjunct-artdirector, aan op een toon die onschuldig zou klinken als je hem niet goed zou kennen.
Matt was mijn beste vriend op kantoor. Mijn enige vriend eigenlijk. Vergeleken bij dit bedrijf leek een congres voor sadisten nog aangenaam en gezellig.
‘Ik kan er wel bij,’ zei Cheryl dapper, en ze zwiepte met haar lange kastanjebruine haar en reikte nog iets verder terwijl Matt naar mij knipoogde. Je zou denken dat ze na een paar honderd vergaderingen wel een makkelijkere manier had bedacht om haar keel te smeren, maar elke week deed ze weer haar beste imitatie van een Hooters Girl die naar een fooi viste. Puur toevallig kreeg ze altijd dorst precies op het moment dat ze een vraag stelde, zodat alle ogen op haar waren gericht.
‘De laatste commercial van CoverGirl, die met Queen Latifah, had een recall score van dertig en de laatste van Gloss twaalf,’ antwoordde Mason zonder aantekeningen te hoeven raadplegen. Hij had een fotografisch geheugen, één van de redenen waarom onze klanten het van hem pikten dat hij op gympen liep.
Ik snapte wel dat Gloss rondkeek bij andere bureaus. Twaalf was niet zo best.
De recall score is een van de doeltreffendste instrumenten in het arsenaal van de reclamewereld. Het vertelt je in wezen welk percentage mensen dat naar je commercial heeft gekeken hem daadwerkelijk onthoudt. Cheryl, die net als ik creative director is, had eens de leiding over een hondenvoercommercial die eenenveertig scoorde. Ze bestelde tientallen ballonnen met EENENVEERTIG erop en hing het kantoor ermee vol. Subtiliteit kwam, net als ruimzittende coltruien, niet in haar repertoire voor. En ik zweer je dat ik dat niet alleen maar zeg omdat ik nooit hoger dan veertig heb gehaald (maar even voor de goede orde, dat heb ik wel drie keer gedaan, een bedrijfsrecord).
‘Ik wil hier vijf creatieve teams op hebben,’ zei Mason. ‘Vandaag over drie weken moeten de campagnes af zijn. De twee besten presenteren voor Gloss.’
Toen iedereen opstond om te vertrekken was Mason naar mij toe gelopen terwijl Cheryl de tijd nam om haar spullen bij elkaar te rapen en net deed alsof ze niet stiekem meeluisterde.
‘We moeten dit account echt binnenslepen,’ zei hij, en zijn vaalblauwe ogen grepen zich in de mijne vast.
‘Betalen ze zo goed?’ vroeg ik.
‘Nee, het zijn een stelletje goedkope vrekken,’ was zijn opgewekte antwoord geweest. ‘Noem onze laatste drie nieuwe klanten eens op.’
‘De thuiszorg, orthopedische matrassen en absorberende producten voor volwassenen,’ dreunde ik op.
‘Luiers,’ verbeterde hij me. ‘Geen goeie trend. We beginnen zo langzamerhand het bedrijf voor oude, incontinente sukkels te worden. We moeten de leeftijdscategorie achttien tot vijfendertig zien te veroveren. Bezorg ons dit account, Lindsey.’ Hij was gaan fluisteren en Cheryl stopte met het verschuiven van papieren. Zij en ik bogen ons allebei verder naar Mason toe.
‘Ik hoef je niet te vertellen wat het voor jou kan betekenen,’ zei Mason. ‘Denk maar eens aan de timing. De presentatie voor Gloss is rond dezelfde tijd als de stemming. Als je boven op alles wat je al hebt gedaan deze ook nog binnensleept…’ Zijn stem stierf weg.
Ik wist waar Mason op doelde. Het was geen geheim dat ons bedrijf op het punt stond een nieuwe vicepresident-creative director te kiezen. Dat betekende een salarisverhoging en alle fijne bijkomstigheden die daarmee gepaard gingen: een bonus met vijf nullen, een vette pensioenregeling en autoservice naar het vliegveld. Het betekende dat ik mijn zonnige tweekamerappartementje kon kopen dat binnenkort in de verkoop zou gaan. Het betekende eersteklas vluchten en schandalige onkostenregelingen.
Het betekende succes, het enige waar ik ooit om had gegeven.
‘Ik doe mijn best,’ zei ik, en ik haastte me het kantoor uit om de wereld van Gloss Cosmetics in te duiken.
Nu kwam ik voor het eerst in drie weken weer boven.
Ik nam nog een slok koffie en wierp een laatste blik op mijn advertentie. Zoiets simpels als een tikfout kon mijn professionele dood betekenen, maar onze advertentie was onberispelijk. Deze advertentie was mijn kindje dat om drie uur ’s nachts was geboren, ontstaan uit de onzalige samenkomst van te veel cafeïne, een hele zak chips (maar in kleine beetjes opgegeten en de zak tussen de beetjes door keurig dichtgedaan en teruggelegd in mijn provisiekast) en mijn oude betrouwbare bedmaatje slapeloosheid. Gloss wilde een hap uit de markt van CoverGirl nemen, maar wilde niet betalen voor beroemde modellen als Halle Berry en Keri Russell. Ik gaf ze het beste van twee werelden.
Mason vond het geweldig. Nu hoefde ik alleen nog mijn pitch voor de eigenaar-directeur van Gloss te perfectioneren. Ik keek weer op mijn horloge. Over zesennegentig minuten zou hun limo voor ons gebouw stoppen, dus ik zou over zesenzeventig minuten beneden staan om ze op te wachten.
Ik drukte op het knopje van de intercom. ‘Donna? Zijn de cateraars er al?’
‘Denk je niet dat ik het gezegd had als dat niet zo was?’ snauwde ze. Ze kan er niet tegen als ik voor haar probeer te denken. ‘Ze hebben alleen wel rode Concord-druiven gekocht.’
‘Shit!’ Ik sprong zo snel op dat mijn koffie op de grond viel. Ik greep een handjevol servetjes uit mijn bovenste la en dweilde het op. ‘Ik ren wel even gauw naar de winkel…’
‘Rustig maar,’ zei Donna. ‘Dat heb ik al gedaan. Er liggen groene pitloze druiven in onze diepvries. Ze zijn op tijd klaar.’
Rode druiven in plaats van groene. Het zijn de simpele dingen die een carrière kunnen ruïneren.
‘Dank je,’ zuchtte ik, en mijn hart staakte zijn woeste gebons. Ik pakte nog een Advil en beloofde mezelf met de oprechtheid van een junkie dat het de laatste shot was. In elk geval tot de lunch.
Je kon nooit te goed voorbereid zijn. Cheryl en ik hadden de twee kansen gewonnen om onze Gloss-campagnes te presenteren, en Cheryl was een wisselvallig geval. Veel van haar campagnes waren ongeïnspireerd, maar als ze raak schoot, was ze sensationeel. Dolgraag zou ik stiekem een blik op haar storyboard werpen, maar ik wist dat ze erover waakte als een waakhond. Net als ik over het mijne.
Cheryl was drieëndertig, vier jaar ouder dan ik, en ze werkte hard. Maar ik werkte harder. Ik leefde, ademde en sliep mijn werk. Echt waar, als ik me niets aan zou trekken van Donna’s afkeurende gesnuif als ze de afdruk van mijn hoofd op het kussen van mijn sofa ontdekte, zou ik amper een reden hebben om ’s avonds naar huis te gaan. In de zeven jaar dat ik nu in New York woonde – sinds het moment dat Richards, Dunne & Krantz kwam werven op mijn faculteit van Northwestern en me een aanbod deed – had ik maar één vriend gemaakt: Matt. Door mijn werk had ik geen tijd voor iets of iemand anders.
‘Lindsey?’ Donna stak haar hoofd om de deur. ‘Ik heb je moeder aan de telefoon. Ze belt vanuit het ziekenhuis, zegt ze.’
Ik greep de telefoon. Was er iets met papa? Ik wist wel dat stoppen met zijn werk bij de federale overheid hem geen goed zou doen. Hij was onmiddellijk aan een hevige tuinoorlog met meneer Simpson, onze buurman, begonnen. Toen ik met Thanksgiving thuis was – twee jaar geleden, want afgelopen jaar had ik die feestdag gemist omdat ik op het laatste moment een campagne in elkaar moest flansen voor een resort in Saint Lucia dat met een luwte aan reserveringen kampte – had ik pap er lijfelijk van moeten weerhouden een ladder op te klimmen en alle takken van Simpsons boom af te zagen op het precieze punt waar ze over onze eigendomsgrens hingen.
‘Lieverd, dit geloof je niet.’ Mam zuchtte diep. ‘Weet je nog dat ik vorige maand een abonnement op O Magazine heb genomen?’
‘Eh, ja,’ loog ik terwijl ik me afvroeg hoe dit verhaal in godsnaam kon leiden tot een wilde rit naar het ziekenhuis om papa’s onderarm weer aan te laten zetten.
‘Ik had dus het novembernummer gekocht en de aanmeldingskaart die erin zat ingevuld,’ zei mam, die een gezellig praatje leek te willen maken. ‘Je weet wel, van die kaartjes die altijd uit tijdschriften vallen en de vloer bezaaien. Ik snap niet waarom er zoveel in moeten zitten. Ik denk dat ze denken dat als je ze maar vaak genoeg tegenkomt, je je vanzelf op het tijdschrift abonneert.’ Ze was even stil om na te denken. ‘En dat is ook precies wat ik heb gedaan, dus wie ben ik om daar wat van te zeggen?’
‘Mam.’ Ik hield de telefoon tussen mijn schouder en mijn oor en masseerde mijn slapen. ‘Is alles goed?’
Mam zuchtte. ‘Ik kreeg vandaag mijn eerste nummer van O Magazine, en het was het novembernummer! En die had ik natuurlijk al gelezen.’ Op samenzweerderige toon fluisterde ze verder: ‘En je vader ook, maar dat heb je niet van mij. Dat betekent dat ik maar elf nummers krijg terwijl ik er voor twaalf heb betaald.’
‘Lindsey?’ Het was Donna weer. ‘Matt is er. Mag ik hem doorsturen?’
‘Graag,’ zei ik met mijn hand over de hoorn.
Mam kletste door. ‘… lijkt bijna wel of ze je erin willen luizen, want ze zeggen: “Bespaar veertien dollar op de losse prijs,” maar als je twee dezelfde nummers krijgt en voor allebei betaald hebt, bespaar je eigenlijk maar tien vierenveertig – pap heeft er pen en papier bij gepakt en het uitgerekend – en…’
‘Mam,’ onderbrak ik haar. ‘Je bent in het ziekenhuis?’
‘Ja,’ antwoordde mam.
Stilte.
‘Mam?’ vroeg ik. ‘Waaróm ben je in het ziekenhuis?’
‘Ik ben bij mevrouw Magruder op bezoek. Die heeft een nieuwe heup gekregen, weet je nog? Ze kan zes weken geen trappen lopen. De vorige keer dat ik hier was zag ik dat er in de wachtkamer alleen maar een golftijdschrift en een blaadje voor kinderen ligt en ik dacht: ik kan toch niks met twee dezelfde exemplaren van O Magazine. Zo heeft iemand anders er nog wat aan. Er staat een recept in voor magere kwarktaart met slagroom – het geheim is appelmoes, nota bene…’
‘Mam, ik regel het wel.’ Ik onderbrak haar voordat de druk in mijn hoofd het kookpunt bereikte en ik zou gaan fluiten als een ketel. ‘Ik zal rechtstreeks naar Oprahs kantoor bellen.’
Matt stapte met opgetrokken wenkbrauw mijn kantoor binnen. Hij droeg een zwarte blazer, die goed bij zijn donkere bos krullen stond. Ik moet tegen hem zeggen dat zwart zijn kleur is, dacht ik afwezig.
‘Dank je, lieverd,’ zei mam en ze klonk een ietsepietsie teleurgesteld dat ze het niet nog wat langer kon uitmelken. ‘Wat is het toch fijn om een dochter te hebben die de juiste mensen kent.’
‘Zeg meteen tegen Stedman dat we snel weer eens moeten gaan vliegvissen,’ fluisterde Matt luid en ik maakte een pistool van mijn duim en wijsvinger en schoot hem in de borst.
‘Trouwens, heb je het al gehoord van Alex?’ vroeg mam.
Ik had kunnen weten dat het onmogelijk was ons gesprek af te ronden zonder dat er iets over mijn tweelingzusje was gezegd. Als ze mij een compliment geeft, moet mam ook iets aardigs over Alex zeggen. Soms vraag ik me af of Alex en ik zo competitief zijn ingesteld doordat mam ons zo overdreven rechtvaardig behandelt. Waarschijnlijk wel, dacht ik, troost vindend in het feit dat ik mijn ouders verantwoordelijk kon stellen voor mijn tekortkomingen.
Ik zuchtte en wierp een blik op mijn horloge: achtenvijftig minuten.
‘Oprah,’ zei Matt met schorre stem, terwijl hij over de grond van mijn kantoor rolde en naar zijn borst greep. ‘Roep je engelennetwerk bij elkaar. Ik zie… een… wit… licht.’
‘De tv-zender breidt Alex’ onderdeel uit!’ zei mam. ‘Nu is ze op woensdag en vrijdag te zien in plaats van alleen vrijdags. Geweldig hè?’
Als mensen horen dat ik een tweelingzus heb, is hun eerste vraag altijd of we een identieke tweeling zijn. Tenzij ze ons samen zien natuurlijk, want in dat geval fronsen ze hun wenkbrauwen en knijpen hun ogen tot spleetjes. Je kunt hun hersens bijna zien vastlopen van verwarring waarna ze stotteren: ‘Tweeling? Maar… maar… jullie lijken helemáál niet op elkaar.’
Alex en ik lijken in niks op elkaar. Ik vind altijd dat ik eruitzie als een kindertekening van een mens: bruine rechte streepjes als haar en de wenkbrauwen, ogen, neus, mond en oren ruwweg op de juiste plaats en in het juiste aantal. Niets bijzonders, gewoon iets om aan de koelkastdeur te hangen voordat het door boodschappenlijstjes en rapporten wordt verdrongen en in de vergetelheid raakt. Terwijl Alex… Er is gewoon geen ander woord voor: ze is simpelweg beeldschoon. Prachtig. Adembenemend. Oogverblindend. Blijkbaar zijn er toch nog een paar andere woorden voor.
In onze middelbareschooltijd begon ze als model nadat ze in een winkelcentrum door een talentenjager was benaderd. Hoewel ze het in New York nooit gemaakt heeft omdat ze maar één meter zeventig is, krijgt ze met grote regelmaat klussen aangeboden in onze geboorteplaats Bethesda, een buitenwijk van Washington D.C. Een paar jaar geleden kreeg ze een parttimebaantje als verslaggeefster bij de plaatselijke afdeling van NBC waar ze roddels over beroemdheden mag verslaan (‘entertainment’, noemt ze het trots). Drie minuten per week – zes, nu haar uitzendtijd wordt verdubbeld – is ze op het scherm te zien terwijl ze grapjes maakt met de filmrecensenten en sterren interviewt die de nieuwste politieke thriller in D.C. aan het opnemen zijn.
Ik weet het, ik weet het, je wilt weten hoe ze eruitziet. Iedereen wil weten hoe ze eruitziet. Alex heeft rood haar, maar ze is niet zo’n Ronald McDonald-roodharige met sproeten die door Jackson Pollock op haar gezicht lijken te zijn gekledderd. Haar lange, glanzende haar is donkerrood en afhankelijk van het licht neigt het naar goud, karamel of chocolade. Ze kan door geen enkele straat lopen zonder dat een vrouw haar smeekt of ze de naam van haar haarverf mag weten. Het is natuurlijk haar eigen kleur. Haar huid trotseert de wetten van de roodharigen door gelijkmatig en snel te bruinen, haar amandelvormige ogen zijn een tint precies tussen blauw en groen in en haar neus is recht en onopvallend, zoals alle goede, gehoorzame neusjes horen te zijn. Mijn vader past de broeken die hij naar zijn middelbare school droeg nog steeds; Alex heeft zijn stofwisseling. Mijn moeder stamt af van een lange lijn van stevige middenwesterlijke maïsboeren; ik heb de hare. Maar ik ben helemáál niet jaloers, hoor.
‘Ik bel haar straks wel even om haar te feliciteren,’ zei ik tegen mam.
‘O, en ze heeft de fotograaf geboekt voor de bruiloft,’ ging mam verder. Ze maakte zich op voor nog wat meer langdurig, oppervlakkig geklets. Alex’ aanstaande bruiloft hield onze telefoonlijnen urenlang bezet.
‘Ik moet gaan,’ viel ik haar in de rede. ‘Belangrijke ochtend. Ik aas op een nieuw account en de klanten komen vanmorgen invliegen vanuit Aspen.’
‘Aspen?’ vroeg mam. ‘Zijn het skiërs?’
‘De echt rijke mensen gaan niet naar Aspen om te skiën,’ legde ik uit. ‘Ze gaan erheen om bij andere rijke mensen te zijn. Het optrekje van mijn klanten staat naast dat van Tom Cruise.’
‘Zijn het filmsterren?’ riep mijn moeder opgetogen. Die vrouw is echt dol op de roddelbladen. En mijn vader ook, al zal hij dat nooit toegeven.
‘Nog veel beter,’ zei ik. ‘Het zijn miljardairs.’
Ik hing op en nam een hapje bosbessenmuffin, maar die smaakte naar stof. Daar kon de muffin niets aan doen, het was de onaangename gedachte die in mijn keel kriebelde. Ik had mijn moeder over de presentatie verteld zodat de boodschap aan Alex zou worden overgebracht: jij mag dan mooier zijn maar vergeet niet dat ik succesvoller ben. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van mijn zus – ze kan grootmoedig en oprecht en grappig zijn – maar van niemand krijg ik het zo op mijn heupen als van Alex. Als ik bij haar in de buurt ben, draait mijn competitiedrang overuren als de lift van een wolkenkrabber tijdens het spitsuur. We zijn elkaars tegenpolen, dat is altijd al zo geweest. Het lijkt wel alsof ons DNA in de baarmoeder overleg heeft gepleegd om de boel te verdelen: ik wil mijn strengen sexappeal wel ruilen voor een dubbele dosis organisatietalent, moeten mijn genen hebben gezegd. Afgesproken, antwoordden Alex’ genen, als je dan meteen dit formulier ondertekent waarmee je afstand doet van het recht op lange benen, krijg je mijn werkethiek erbij.
Als Alex en ik geen familie waren geweest, zouden we helemaal niks gemeen hebben gehad. Alex staat niet alleen graag in de schijnwerpers, ze grijpt ze, gaat er bovenop zitten en drukt ze tegen de grond zodat ze niet kunnen ontsnappen. En ze kan er zelf eigenlijk niets aan doen, de schijnwerpers wíllen door haar gedomineerd worden. De schijnwerpers schreeuwen om haar zodra ze Alex zien. Mensen worden door haar verblind. Ze krijgt zoveel drankjes van mannen aangeboden dat het een wonder is dat ze niet bij de AA zit. Vrouwen kijken waarderend naar haar en onthouden wat ze aan heeft, bij zichzelf zwerend dat ze het ook gaan kopen, want als het hen maar half zo goed staat… Zelfs chagrijnige baby’s stoppen met huilen en werpen haar een zoete glimlach toe als ze haar achter zich in de supermarktrij ontdekken.
Als ik Alex niet als zus had gehad, was ik waarschijnlijk lang niet zo gedreven. Maar ik ben er al vroeg achter gekomen dat je makkelijk over het hoofd gezien en vergeten kan worden met iemand als Alex in de buurt. In een bepaald opzicht heeft zij me gemaakt tot wie ik nu ben.
Ik schoof mijn muffin van me af en keek naar Matt. Hij lag languit op mijn sofa met één been over de armleuning, half in slaap. Hoe hij altijd zo kalm kon blijven in de drukte en chaos van ons bedrijf was een raadsel. Ik moest hem eens vragen wat zijn geheim was. Als ik daar tijd voor had, wat ik nu niet had omdat ik over vierenveertig minuten beneden moest staan. Omdat ik als eerste zou presenteren mocht ik van Mason de klanten verwelkomen, en Cheryl zou na afloop met ze mee teruglopen naar hun auto.
‘Kunnen we hem nog één keer doen?’ smeekte ik.
‘Je hebt het gister al twaalf keer gedaan,’ hielp hij me gapend herinneren. Hij deed één slaperig bruin oog open en keek me aan.
‘Je hebt gelijk, je hebt gelijk,’ zei ik, terwijl ik de pennen op mijn bureau in een perfecte rechte hoek met mijn nietmachine legde. ‘Ik wil niet te ingestudeerd klinken.’
‘Hou daar eens mee op, neurootje,’ zei Matt en hij trok zichzelf op van de bank en pikte een hapje muffin. ‘Mmm. Hoe kan je dit nou laten liggen?’
‘Ik heb een schaaltje Advil als ontbijt gehad,’ legde ik uit. ‘Veel vezels.’
‘Je bent hopeloos,’ zei hij. ‘Hoe laat begint het feest vanavond?’
‘Halfacht,’ antwoordde ik. ‘Komt Pam ook?’
Pam was Matts nieuwe vriendin. Ik had haar nog niet ontmoet, maar ik was razend benieuwd.
‘Yep,’ zei hij.
Vanavond was de kerstborrel van ons kantoor.
Het was ook de avond waarop de naam van de nieuwe VP-creative director bekend werd gemaakt.
‘Zenuwachtig?’ vroeg Matt.
‘Natuurlijk niet,’ loog ik.
‘Laat los die Advil,’ beval Matt en hij gaf een tik op mijn hand die automatisch naar de la van mijn bureau was gegaan. ‘We gaan je storyboard naar de vergaderruimte brengen. Je weet dat je ze een poepie zult laten ruiken, mevrouw de VP.’
En zo werd de angstknoop in mijn maag ietsje losser. Zoals ik al zei was Matt mijn enige vriend op dit kantoor.